20 april 2026

Teuten zijn rondtrekkende handelaren en ambachtslieden uit de 18e en 19e eeuw. Ze reisden door grote delen van Europa om hun goederen te verkopen en werkten in strak georganiseerde groepen, zogeheten compagnieën. Elke compagnie had een eigen gebied zonder concurrentie en het aantal leden hing af van het aantal klanten.

Teuten waren echte ondernemers en worden gezien als voorlopers van de middenstand. Ze handelden in allerlei producten zoals stoffen, gebruiksvoorwerpen, dieren, aardewerk en zaden.

Sinds kort digitaal beschikbaar via de website van het RHCe zijn de zogenaamde teutenbrieven van de familie Verweijen, collectie 11192. Het gezin Verweijen telt veertien kinderen, van wie er meerderen deel uitmaken van de ‘compagnie’. Zij handelden in stoffen en aanverwante artikelen. Het zijn ‘sedentaire’ teuten, dat wil zeggen dat ze een vaste ‘standplaats’ hebben. Voor deze familie is dat Den Haag en Voorburg. Daar verblijven ze zo’n acht maanden per jaar, tijdens de wintermaanden keren ze terug naar huis in Borkel en Schaft. Het is een zwaar leven, acht maanden lang verstoken van de familie om ‘in den vreemde’ de kost te verdienen. Dat het echt loont, wordt later duidelijk als blijkt dat de teutenfamilies tot de meer ‘gefortuneerden’ van het dorp behoren.

De stand van zaken met betrekking tot de 'negotie', de handel, komt aan bod, alsmede gebeurtenissen binnen de familie en mensen die op bezoek kwamen. De tijd waarin deze teuten hun brieven schreven was ook de tijd van de Belgische Opstand en de Tiendaagse Veldtocht. Ook de dreiging van een oorlog komt in deze brieven aan bod.